Interview met Marcel Spierts

 

Interview met Marcel Spierts n.a.v. de Kionn-conferentie “De waarde van collectief werken in Sociale (wijk)teams” d.d. 22 april 2016 te Drachten

Interview door: Jaap Ikink

De conferentie in Drachten had als thema: De Waarde van collectief werken in sociale (wijk)teams. Wat is voor jou de kern van deze waarde van collectief werken?

-De verhouding tussen individueel werken en collectief werken is één van de kernpunten van de transformatie. De nadruk in sociale wijkteams ligt momenteel vooral bij individuele casuïstiek. De case-load staat voorop en er is weinig oog voor patronen die in de individuele casuïstiek naar voren komen. Erkennen dat daar grotere kwesties onder liggen die niet alleen om oplossingen vragen voor de individuele cliënt, maar op grotere schaal aandacht voor oplossingen vragen is bij sommige teams wel gestart, maar nog weinig in concrete interventies omgezet. Die ruimte is er voor hen niet, of die wordt door de werkers in die teams niet genomen. Daar waar teams de ruimte krijgen en niet helemaal door de gemeente in prestatie-indicatoren worden vastgezet, zien de leden van die teams dat collectief werken wel wat toevoegt. Vooral in de samenwerking met collega’s van andere disciplines. En dat het ook wat oplevert voor de mensen die de ondersteuning van de sociale (wijk)teams nodig hebben.

Dat herkennen van patronen en het zien van ‘de grotere kwesties’, is dat de kern van collectief werken?

Je zou kunnen stellen dat het herkennen van patronen en de grotere kwesties aan ‘collectief werken’ vooraf gaat. Het is de oude signaleringsfunctie van het sociaal werk. Dat kan tot een collectieve aanpak leiden, maar het gaat er om dat je eerst signaleert dat er bepaalde kwesties zijn die het verdienen om preciezer en breder bekeken te worden. Dan kun je ook nagaan waar het vraagstuk thuishoort en waar het aangekaart kan worden. Kun je er als sociaal wijkteam dan zelf wat mee, of moet je anderen erbij betrekken? Dat hoeft nog niet meteen tot collectief werken te leiden.

Dan is er nog een andere kwestie die speelt: Wat is de verbinding van het sociaal (wijk)team met de wijk en de omgeving? Bij de meeste teams blijft de focus op individuele casuïstiek. Dat kunnen cliënten zijn die aangemeld worden, of die zich zelf bij het sociale team melden. Sociale professionals kijken dan wel welke netwerken in beeld zijn, maar de meeste wijkteams komen er niet aan toe om te kijken in hoeverre het wijkteam ook daadwerkelijk van de wijk is en welke rol het wijkteam kan spelen in de collectieve processen in de wijk. Welke processen in de wijk ontbreken en welke rol kan het wijkteam dáárin spelen?

Tijdens de KIONN-conferentie in april 2016 heb ik onderstaand schema met vier kwadranten laten zien.

Voor sociaal werk is het belangrijk dat er beweging is tussen de vier kwadranten. De raakvlakken tussen de kwadranten nemen toe en de werkers bewegen van hun traditionele positie in het kwadrant naar andere gebieden: de maatschappelijk werker krijgt meer oog voor bewoners-initiatieven en de opbouwwerker richt zich ook op individuele problematiek. Over het algemeen is het kwadrant van de individuele hulpverlening (links boven) altijd wel goed bediend. Het kwadrant activering en collectief (rechts onder) wordt daarentegen niet vanzelfsprekend bediend. Daar heb je aanjagers voor nodig: Professionals die voortdurend verbindingen leggen tussen de verschillende individuele casussen, omgevingsfactoren en beschikbare aanpakken.

Hoe zou je dat het beste kunnen organiseren vanuit de sociale wijkteams?

Dat kan vanuit verschillende scenario’s. Opbouwwerkers in de teams zelf of in een schil er om heen. Ik ken in Arnhem een opbouwwerkster die dat vanuit een positie als teamlid binnen de sociale wijkteams doet. Zij ondersteunt ook haar teamleden bij het collectief werken. In een aantal teams lukt dat heel goed, maar soms lukt dat ook totaal niet. Opbouwwerkers gaan dan mee in de focus op individuele casuïstiek.
Een ander scenario hanteren ze in Utrecht. Daar heb je, naast buurtteams, de sociaal makelaars. Die functioneren als een soort ‘schil’ om de buurtteams heen. Zo blijft er in de positie onderscheid tussen individueel en collectief werken. Het gaat er dan natuurlijk om hoe de samenwerking tussen buurtteams en sociaal makelaars verloopt.

Er zijn genoeg voorbeelden waar collectief werken goed uit de verf komt. Kernpunt daarbij is de aandacht voor de taal die de teamleden vanuit hun voormalige functies spreken. Hoewel er vaak wordt gezegd dat de professionals elkaars taal niet spreken, ligt daarin juist de meerwaarde van de sociale (wijk)teams. Daarin móet je elkaar wel tegenkomen en met elkaar in gesprek gaan. Elkaars taal verkennen en op zoek gaan naar waar het gemeenschappelijke zit en wat je vanuit je eigen specifieke deskundigheid voor elkaar kunt betekenen.

 

Hoe ziet dat collectief werken er in jouw ogen uit?

Collectief werken zie ik als een versterking van de individuele ondersteuning. Dat kan op heel verschillende manieren: van het creëren van lotgenotencontact tot het meer beginnen bij wat er al is in de wijk en dat letterlijk in kaart brengen. Dat is ook een belangrijke rol die de jongerenwerkers en opbouwwerkers van oudsher hebben. Zij kennen het gebied meestal goed en kunnen een rol spelen om andere professionals daadwerkelijk de wijk in te loodsen.
In Amsterdam hebben ze hiervoor de ‘Samen Doen’-teams. Die zitten tussen de eerste en tweede lijn in. De jongerenwerkers en buurtwerkers hadden als opdracht om patronen te signaleren en andere professionals een ingang in de wijk te geven. Dat verwatert nu. De druk vanuit de case-load is zo groot dat ze niet meer de ruimte hebben om  het anders te organiseren. Ze worden meegezogen in de individuele problematiek.

We zitten nu in de transitie en transformatie van het sociaal domein. Hoe zie jij over vijf jaar de plek van collectief werken in de sociale wijkteams

De trend is dat de beroepsachtergronden van de leden van de sociale wijkteams verwateren. Over die beweging ben ik niet zo positief. Zodra de specifieke deskundigheden van de teamleden verwateren, dreigt het collectief werken naar de achtergrond te verdwijnen. Ik ben geen voorstander van sociale wijkteams met ‘generalisten’ waar de verschillende vormen van het ambacht en het vakmanschap van sociaal werkers niet meer bestaan. In een goed team heb je juist die verschillende expertises en verworvenheden nodig. Ik pleit voor ‘aandachts-functionarissen’ met een specifiek aandachtterrein. Het zijn dan strikt genomen misschien geen jongerenwerkers of opbouwwerkers meer, maar ze hebben wel de know how op die gebieden. Voor de sociale teams zie ik een ontwikkeling naar brede teams met daarin verankerde specifieke deskundigheden. Je hebt immers aanjagers nodig die vanuit hun specifieke deskundigheid collega’s op sleeptouw kunnen nemen.

 

Wilt u naar aanleiding van dit interview contact met ons opnemen?

We horen het graag.

Dat kan via KIONN of rechtstreeks via onderstaande contactgegevens:

 

Marcel Spierts Onderzoek & Ontwikkeling
T: 00 31 6 53 426 428 | WWW: marcelspierts.nl